Dat genadejaar is al begonnen

De profeet Jesaja verwijst in zijn profetie naar de wetgeving uit Leviticus 25. Mozes had namens God aan het volk de opdracht gegeven om elke zeven jaar een sabbatsjaar te houden. Na zeven maal een sabbatsjaar, dus elk vijftigste jaar, volgde dan een jubeljaar. In dat jubeljaar - of genadejaar, een jaar van welbehagen - werden alle verhoudingen hersteld.

De geest van God, de HEER, rust op mij, want de HEER heeft mij gezalfd (...) om een genadejaar van de HEER uit te roepen.
Jesaja 61: 1-2

De sociale wetgeving voorkwam dat een slaaf of bezit van vader op zoon kon worden doorgegeven. Bezit is tijdelijk, slavernij en werk is niet het enige waar we voor leven.

Volgens de evangelist Lucas leest Jezus deze profetie voor in de synagoge van Nazareth. Voor Hem was het volstrekt logisch dat de profetie in vervulling ging tijdens het voorlezen; voor de synagoge-bezoekers was dat niet helder. Toch is dat wat is gebeurd. Jezus is gekomen om het voorschrift van Mozes en de profetie van Jesaja in volle glorie neer te zetten.

Dít is wat de bedoeling is van een jubeljaar: wie als slaaf is verkocht om zijn leven te behouden, krijgt zijn vrijheid weer terug. Wie grond of bezit moest verkopen om in het dagelijks brood te voorzien, krijgt het weer terug. Onderlinge verbanden worden hersteld. Het welbehagen van Gods schepping krijgt de glans die het verdient.

Dat genadejaar duurt geen twaalf maanden, maar is net zo eeuwig als de bomen uit Openbaring 22 die elke maand vruchten geeft. Daar is niet meer het wachten op.

Dat genadejaar is al begonnen.

de bijbel open